Sinds het van start gaan van het Afstammingscentrum in april ll. telde het centrum al zo’n 100 dossiers en vragen. Dat vernam Vlaams parlementslid Katrien Schryvers van minister Wouter Beke in antwoord op een parlementaire vraag. Voor Schryvers tonen deze cijfers aan het heel belangrijk kan zijn voor mensen te weten waar zij vandaan komen en wie hun biologische verwanten zijn. Zij herhaalt dan ook haar vraag om op federaal niveau de anonimiteit van donoren af te schaffen.

Wie vragen heeft over zijn of haar afstamming kan sinds april van dit jaar in Vlaanderen terecht bij het Afstammingscentrum, dat (voorlopig) gevestigd is in Gent. Het centrum biedt technische en psychosociale ondersteuning en moet op termijn uitgroeien tot een expertisecentrum ter zake.

Het Afstammingscentrum werkt samen met het centrum menselijke erfelijkheid van het UZ Leuven voor DNA-onderzoek en het uitbouwen van een DNA-databank. Zo kan men, geheel vrijwillig, een DNA-staal laten afnemen om zo te zoeken naar verwanten. Wanneer een overeenkomst tussen DNA-profielen wordt gevonden, kan eventueel een ontmoeting worden georganiseerd.

Het was Vlaams volksvertegenwoordiger Katrien Schryvers die al in 2015 de aanzet gaf voor een afstammingscentrum en DNA-databank tijdens de hoorzittingen in de commissie Welzijn over mensen die hun kind onder dwang moesten afstaan. In 2019 was zij ook hoofdindiener van het decreet dat dit concretiseerde.

Dat er bij heel wat mensen vragen leven, blijkt uit het antwoord op een parlementaire vraag die Schryvers stelde aan minister voor Welzijn Wouter Beke. “Eind augustus telde het Afstammingscentrum al 89 dossiers en vragen, en wekelijks komen er gemiddeld 2 tot 5 nieuwe vragen bij”, aldus het parlementslid. “De vragen zijn afkomstig van verschillende doelgroepen, voornamelijk internationaal (17) en nationaal (12) geadopteerden, metissen (13) en donorkinderen (10). Verder werden ook vragen behandeld van sous-X personen (3) (kinderen geboren bij een anonieme bevalling), een eerste ouder nationaal en een eerste ouder internationaal, een adoptieouder internationaal en 7 donoren (of hun familieleden).”

De aard van de vragen varieert sterk en kan ook veranderen doorheen het dossier, vernam Schryvers nog. Bij de zoekvragen naar afstamming en verwantschap komen de verschillende trajecten, inzage, DNA-afname en bemiddeling gecombineerd voor. Afhankelijk van de vraag en het moment, is er doorheen alle dossiers ook in meer of mindere mate nood aan psychosociale begeleiding. Die wordt geboden door het Afstammingscentrum zelf, tenzij er een zwaardere problematiek duidelijk wordt of een echt therapeutisch optreden aan te raden is. Dan zou een gerichte doorverwijzing aan de orde kunnen zijn.

Om mensen toe te leiden naar het Afstammingscentrum is tot op heden niet gekozen voor een grote bekendmakingscampagne. Wel zijn er brochures voor diverse groepen en professionals in voorbereiding.

“Dat het Afstammingscentrum recent effectief van start is gegaan, is een grote stap vooruit”, vindt Schryvers, “De cijfers tonen ook dat er nood is aan deze dienstverlening. Mensen krijgen zo informatie en worden geholpen in hun zoektocht. De grote meerwaarde is ook dat er psychologische begeleiding kan worden geboden, want een zoektocht gaat altijd gepaard met hevige emoties.

Schryvers erkent wel dat er nog niet voor alle vragen een oplossing geboden kan worden. “De vrijwilligheid en het feit dat de matching beperkt wordt tot de eerste graad vormen nog een beperking”, aldus Schryvers, “Laat dit daarom dan ook slechts een begin zijn. Mensen hebben het recht om hun afkomst te kennen en ook broers en zussen, kleinkinderen en grootouders willen mekaar vinden. Het opheffen van de anonimiteit van donoren heeft in omliggende landen geen negatief effect gehad op de bereidheid om donor te zijn. Hoog tijd dus om verder werk te maken van het recht van kinderen om hun afkomst te kennen en de anonimiteit van donoren op te heffen.”